Deltaprogramma 2021

De coronacrisis laat zien dat Nederland afhankelijk is van dingen die ergens anders in de wereld gebeuren. Klimaatverandering draait ook om onzekerheden en wereldwijde afhankelijkheid. Voor de veiligheid en leefbaarheid op de lange termijn is het belangrijk dat het werk aan een klimaatbestendige en waterrobuuste delta doorgaat. De zeespiegel stijgt, misschien zelfs sneller dan verwacht. Extreem weer - zoals plensbuien, hitte en droogte - komt steeds vaker voor.

Zesjaarlijkse herijking

Het nationaal Deltaprogramma richt zich op de maatschappelijke doelen voor waterveiligheid, de beschikbaarheid van zoetwater en ruimtelijke adaptatie. Elke zes jaar bepaalt de organisatie van het Deltaprogramma, samen met kennisinstellingen en onafhankelijke onderzoekers, of eerdere beslissingen nog steeds kloppen. Zijn er aanpassingen nodig? Dan worden die opgenomen in het Deltaprogramma.

In het Deltaprogramma 2021 staan voorstellen voor herijkte deltabeslissingen, strategieën en maatregelen. De belangrijkste conclusies zijn:

  • Door een versnelde zeespiegelstijging kunnen de opgaven voor zoetwater en waterveiligheid na 2050 flink toenemen. 
  • De deltabeslissingen en voorkeursstrategieën geven nog steeds de goede koers voor de periode tot 2050. Er zijn aanscherpingen nodig in de deltabeslissing Zoetwater.
  • Er is extra aandacht nodig voor een efficiënte uitvoering van de maatregelen. Deze maatregelen zijn gericht op de realisatie van de doelen in 2050.

Klik hier voor een overzicht van de belangrijkste veranderingen in de deltabeslissingen.

Verder vooruitkijken

De komende jaren houdt het Deltaprogramma zich bezig met uitvoering, maar gaat ook veel aandacht naar beleidsontwikkeling voor de lange termijn. Dit betekent: vooruitkijken naar de periode na 2050. Bij grote ingrepen, zoals de bouw van nieuwe kunstwerken (zoals sluizen, stuwen en stormvloedkeringen) en dijkversterkingen, houdt het Deltaprogramma rekening met een zeespiegelstijging van maximaal 1 meter tot 2100. Maar die kan ook forser uitpakken, zeker als het gaat om de periode na 2100. 

Kennisprogramma Zeespiegelstijging

In 2019 namen de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de deltacommissaris het initiatief voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. Hierin werken overheden, kennisinstellingen, bedrijven, plannenmakers en maatschappelijke organisaties samen aan nieuwe kennis over waterveiligheid en de beschikbaarheid van zoetwater.

De doelen van dit programma zijn:

  • De onzekerheden over de stijgende zeespiegel verkleinen.
  • In kaart brengen wat de houdbaarheid is van de huidige beslissingen en strategieën bij extreme scenario’s van zeespiegelstijging en verzilting. (Verzilting is de toename van het zoutgehalte in de bodem en het grond- en oppervlaktewater).
  • Handelingsperspectieven verkennen voor de lange termijn.
  • Reserveringen van de ruimte verkennen, zodat te zijner tijd eventueel ook langetermijnopties uitgevoerd kunnen worden. 

De uitkomsten hiervan zijn beschikbaar voor de tweede herijking.

Programma Integraal Riviermanagement

De herijking van de strategieën voor Rijn en Maas volgt een aparte route. Voor deze rivieren is het programma Integraal Riviermanagement (IRM) in het leven geroepen. Rijk en regio richten zich op de opgaven in het rivierengebied tot 2050, met een doorkijk naar 2100. De partijen werken aan een integrale visie op het rivierengebied. 

Voortgang per thema

Waterveiligheid

Nieuwe normen

Primaire waterkeringen (dijken, dammen en duinen) beschermen Nederland tegen overstromingen. Alle keringen in Nederland moeten in 2050 aan nieuwe normen voldoen. De waterschappen en Rijkswaterstaat brengen nu in kaart welke keringen aangepast moeten worden. Daar hebben ze zes jaar de tijd voor. Uiterlijk 31 december 2023 informeert de minister van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer over de uitkomsten. In juli 2020 was 25% van het totaal aantal kilometers primaire keringen beoordeeld.

Nog dertig jaar

Om in 2050 aan de nieuwe normen te kunnen voldoen, moet tussen nu en 2050 elk jaar gemiddeld 50 kilometer aan dijkversterkingen uitgevoerd worden. Voor de periode 2021-2032 staat op de planning:

  • De verbetering van 698 kilometer dijken
  • De verbetering van 171 kunstwerken in het Hoogwaterbeschermingsprogramma

Er zijn diverse vertragingen op projectniveau. Inlopen op deze vertragingen is mogelijk, door technologische ontwikkelingen en met behulp van maatregelen die door de overheden worden getroffen. Dit vereist een adequate aanpak van beheerders, de alliantie van waterschappen en Rijkswaterstaat. 

Het gebied achter de dijken

Sterke dijken zijn belangrijk, maar het maken van verstandige keuzes over de inrichting van het gebied áchter de dijken is ook van belang. Ruimtelijke (her)ontwikkeling mag er niet voor zorgen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt. Dat is het uitgangspunt bij ruimtelijke inrichting. Het is belangrijk dat:

  • Duidelijk is waar op langere termijn gebouwd kan worden, rekening houdend met waterveiligheid
  • Onderzocht wordt wat de gevolgen zijn van overstromingen en extreem weer en hoe deze aangepakt kunnen worden

Op advies van de Signaalgroep Deltaprogramma is geanalyseerd of het bouwen van 1 miljoen woningen tot 2040 consequenties heeft voor de normen voor primaire waterkeringen. Dit bleek niet het geval. De normen voor de waterkeringen hoeven niet aangepast te worden. Het is wel van belang om bij de bouw van nieuwe woningen extra aandacht te besteden aan het beperken van de gevolgen van overstromingen.

Naar het thema Waterveiligheid

Zoetwater

De zoetwatervoorziening moet weerbaar zijn tegen lange droge perioden. Dat blijkt opnieuw na de droge zomers van 2018 en 2019 en na het droge voorjaar van 2020. 

Waterbeschikbaarheid

Het proces van waterbeschikbaarheid wordt intensiever, mede naar aanleiding van de bevindingen van de Beleidstafel Droogte. Daarbij is het niet realistisch om te denken dat alle gebieden in de toekomst op elk moment genoeg zoetwater beschikbaar hebben. Het Deltaprogramma verkent daarom ook de mogelijkheden om water beter vast te houden, water slimmer te verdelen en om het landgebruik aan te passen aan de waterbeschikbaarheid. Dit is met name van belang voor gebieden die gevoelig zijn voor verzilting en gebieden waar geen aanvoer uit het hoofdwatersysteem mogelijk is. 

Extra investeringspakket

De partijen in het Deltaprogramma stellen een nieuw investeringspakket op voor zoetwatermaatregelen. Hiermee moet de zoetwatervoorziening vanuit het hoofdwatersysteem klimaatbestendiger worden gemaakt. Denk aan betere sturingsmogelijkheden om zoetwater uit het hoofdwatersysteem te verdelen over de verschillende delen van Nederland in tijden van droogte. Het gaat om een bedrag van 800 miljoen euro in de periode 2022-2027. Het investeringspakket wordt gefinancierd uit het Deltafonds en aangevuld met financiering door provincies, waterschappen, gemeenten en andere partijen, waaronder drinkwaterbedrijven.

Naar het thema Zoetwater

Ruimtelijke adaptatie

Stresstesten en risicodialogen

Het overgrote deel van de waterschappen, gemeenten en provincies geeft aan dat de stresstesten (die kwetsbaarheden voor extreem weer in kaart brengen) zijn uitgevoerd. Ook startten verschillende overheden met risicodialogen met burgers, bedrijven en organisaties die de gevolgen van deze kwetsbaarheden direct merken. Dit zijn de eerste twee uitgevoerde stappen van de in totaal zeven stappen uit het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie

Wijziging Waterwet

De gezamenlijke overheden gaan de komende jaren extra investeren in het versneld uitvoeren van projecten voor ruimtelijke adaptatie. De Tweede en Eerste Kamer stemden begin 2020 in met een wijziging van de Waterwet. Die maakt het mogelijk om middelen uit het Deltafonds in te zetten als cofinanciering voor maatregelen tegen wateroverlast. 

Impulsregeling

De gezamenlijke overheden bereikten overeenstemming over de Impulsregeling die op 1 januari 2021 in werking treedt. Deze regeling richt zich op maatregelen in de periode 2021-2027. Een werkregio (of een combinatie van werkregio’s) kan een voorstel indienen. Voor de verdeling van de inzet van middelen over de werkregio’s hanteert het ministerie een verdeelsleutel op basis van inwoneraantal en oppervlakte. Het Rijk draagt maximaal 33% bij. De decentrale overheden in de werkregio maken onderling afspraken over de invulling van de 67% cofinanciering.

Naar het thema Ruimtelijke adaptatie