Twintig jaar durf in de regio Rijnmond-Drechtsteden

Bestuurders aan het woord over de casestudies uit de studie 'Tegen de stroom in'

Pas handelen als je alles zeker weet, is geen optie bij zeespiegelstijging. Maar hoe ga je dan om met al die grote onzekerheden? In de studie Tegen de stroom in zoeken bestuurskundigen naar een antwoord. Hun casestudies, onder meer uit Rotterdam, laten zien wat het oplevert als je al vroeg samen nadenkt over waterveiligheid op de lange termijn – en al stappen zet terwijl er nog veel onzekerheden zijn. 

Beeld: © Corrie de Jongh

Corjan Gebraad van gemeente Rotterdam

Leven met water is voor Nederland niets nieuws. Maar nu stelt de versnellende zeespiegelstijging bestuurders voor een nieuwe uitdaging: hoe neem je vandáág besluiten over een zeer onvoorspelbare toekomst?

Daarover publiceerde de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) een essay, Volgens het boekje (2025), in opdracht van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging. De auteurs pleiten daarin voor een nieuw denkkader. Niet meer eerst álle informatie boven tafel willen krijgen en onzekerheden minimaliseren, en dan pas stappen zetten in de besluitvorming en uitvoering (‘Boekje A’), maar ‘handelen ondanks onzekerheid’ (‘Boekje B’). ‘Ook daarin blijft het belangrijk om kennis en begrip op te bouwen,’ aldus het essay, ‘maar die ontstaan ook door handelen onderweg – niet alleen door studie vooraf. Dat vraagt om durf, verbeeldingskracht en aanpassingsvermogen.’

Hoe ziet dat eruit in de praktijk? Die vraag stond centraal in het vervolgonderzoek Tegen de stroom in (2026), uitgevoerd door Teun Toonen en Nancy Chin-A-Fat van NSOB. ‘In ons onderzoek gebruiken we casestudies uit de regio Rijnmond-Drechtsteden om te laten zien hoe je kunt werken volgens de principes van Boekje B’, vertelt Chin-A-Fat. ‘Neem het principe van werken op basis van voorstellingsvermogen. We zagen dit duidelijk terug in de ontwerp- en verbeeldingskracht van ambtenaren in Dordrecht onder meer bij het Festival voor de Vloed en in Rotterdam bij de Internationale Architectuur Biënnale (IABR).’

Aantrekkelijk toekomstbeeld schetsen

Tijdens de tweede IABR in 2005 stond het project Rotterdam Waterstad 2035 centraal. ‘Dit project introduceerde eigenlijk al die andere manier van denken’, vertelt Corjan Gebraad van de gemeente Rotterdam, die zich al bijna 30 jaar bezighoudt met water en ruimtelijke inrichting in de Maasstad. ‘Tot dan toe zagen we water vooral als een bedreiging waartegen we ons moesten beschermen. Rotterdam Waterstad 2035 draaide dat om: wat als we water veel meer gaan zien als kans voor aantrekkelijke stadsinrichting?’

Achteraf gezien was dat een belangrijk kantelpunt, merkt Gebraad op: ‘Veel van de ideeën uit Rotterdam Waterstad 2035 zijn terechtgekomen in de latere waterplannen, en in programma’s zoals de Rotterdamse Adaptatiestrategie en Resilient Rotterdam.’ Toch verliep die ontwikkeling niet vanzelf. Tussen de eerste toekomstbeelden en de huidige strategieën liggen bijna twee decennia van experimenteren. ‘Juist dat laat zien dat werken volgens Boekje B geen kwestie is van één project of één bestuursperiode, maar van een lange adem.’

Aanhaken op wat er al gebeurt

Wat is het succes van de Rotterdamse aanpak? ‘Het hangt vaak op mensen die buiten de gebaande paden durven te denken’, antwoordt Gebraad zonder aarzelen. ‘En die dan ook de ruimte en het vertrouwen krijgen om te handelen. Wij hebben op cruciale momenten mensen gehad, in het College én in de uitvoering, die zeiden: laten we adaptatie aangrijpen om óók slagen te maken op het vlak van stedelijke inrichting.’

Een andere succesfactor, benadrukt Gebraad, is aanhaken op wat er al gebeurt. ‘Op de juiste trein springen’, noemt hij dat. ‘In die begintijd wilde Rotterdam zich profileren als voorloper op het gebied van klimaatbeleid. De gemeente startte samen met regionale partijen het Rotterdam Climate Initiative op. Het doel was aanvankelijk vooral mitigatie: de uitstoot van broeikasgassen verminderen. Maar al heel snel kwam adaptatie daarbij, omdat we dit op het juiste moment bij het College agendeerden.’

Verhaal vertellen

Uit dat initiatief kwamen tal van concrete projecten voort, van waterpleinen en ondergrondse waterberging tot het Drijvend Paviljoen: het iconische drijvende expositiegebouw in de haven. Gebraad: ‘Dat werd gebouwd als proefproject. Het moest laten zien hoe drijvende architectuur kan bijdragen aan een klimaatbestendige delta.’

Gebraad moet lachen als hij zich herinnert hoe sommige mensen aanvankelijk reageerden op de plannen. ‘Ze vonden het een frivool idee. Zonde van het geld. Maar het gaat erom dat je een verháál durft te vertellen’, zegt hij. ‘Namelijk dat klimaatadaptatie leidt tot mooiere straten en fijnere buurten en indirect bijdraagt aan de lokale economie.  Dat spreekt bestuurders aan.’

Structureel meer geld

De ideeën die nu zijn samengebracht in Boekje B, brengt Rotterdam dus eigenlijk al twintig jaar in de praktijk? ‘Ja, maar de laatste jaren zijn deze principes veel structureler verankerd in hoe wij werken’, zegt Gebraad. ‘Er is bewust ruimte gemaakt voor ideeën en experimenten. En we zoeken slimme combinaties. Als je het gemeentelijke rioleringsplan samenvoegt met het klimaatadaptatieprogramma, creëer je bijvoorbeeld structurele financiering voor klimaatadaptatie vanuit de rioolheffing. De wethouder is bereid dit in de gemeenteraad te verdedigen.’

Wat twintig jaar geleden nog pionieren was, is inmiddels steeds meer onderdeel geworden van de reguliere praktijk van waterbeheer, zegt Gebraad. ‘En bijvoorbeeld in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), met zijn stresstesten en risicodialogen, en in het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden.’

Eigen dynamiek

Volgens NSOB-onderzoeker Nancy Chin-A-Fat is dat precies wat de Rotterdamse en Dordtse verhalen illustreren. Maar ook zij benadrukt dat deze denkomslag tijd kost. ‘De Nederlandse waterveiligheidsaanpak volgt al decennialang Boekje A’, merkt ze op. ‘Het is dus logisch dat veel mensen aarzelend staan tegenover de principes in Boekje B. Wij hopen met ons onderzoek een nieuw denkraam toe te voegen, en het handelingsrepertoire te verbreden van ambtenaren en bestuurders die werken aan langetermijnbeleid.’

Een kant-en-klaar recept levert dat niet op, benadrukt Gebraad. Elke stad en regio kent zijn eigen dynamiek, kansen en beperkingen. Maar wachten tot alle onzekerheden zijn verdwenen, is volgens hem geen optie. ‘Mijn stelling is: heb je een goed idee, spring dan op de juiste trein. Koppel het aan de juiste mensen, binnen én buiten je organisatie, en aan de juiste bestuurder. En vooral: maak een goed verhaal.’