
‘De droogte van 2026: perspectieven vanuit de kenniswereld en de landbouwsector’
Waarom een bui de droogte niet zomaar oplost en wat dat betekent voor boeren en gewassen
Nederland heeft deze zomer opnieuw gekampt met droogte. Rivierafvoeren waren uitzonderlijk laag, het neerslagtekort liep op en de landbouw merkte de gevolgen dagelijks. Wat maakt deze droogte anders dan die van 2018 en 2022? De herijkte deltabeslissing van het Deltaprogramma Zoetwater (DPZW) is duidelijk: maatregelen in het hoofd- en regionaal watersysteem kunnen toekomstige tekorten niet oplossen, sectoren zullen zich moeten aanpassen. Welke les trekken sectoren hieruit en hoe gaan we ons aanpassen? Hydroloog Niko Wanders (Universiteit Utrecht) en Anouk Alberts (LTO Noord) geven hun perspectief op de droogte.

Niko Wanders 
Anouk Alberts
Alberts en Wanders zijn het erover eens: de les van 2026 is niet dat Nederland alleen meer water moet aanvoeren. De opgave is om vooraf gezamenlijk te bepalen waar we water vasthouden, hoe we schaarste eerlijk verdelen en welke investeringen nodig zijn om de volgende droge zomer beter op te vangen.
Droogte onder de loep
Volgens Wanders is de droogte van 2026 meer dan een periode met weinig neerslag. Vooral de combinatie van een neerslagtekort, aanhoudende hitte en uitzonderlijk lage afvoeren van Rijn en Maas zet het watersysteem onder druk. Kijkend naar het neerslagtekort komt een situatie als deze ongeveer eens in de zestig jaar voor; de rivierafvoeren zijn nog uitzonderlijker met de laagste afvoer in de Rijn sinds het begin van de metingen. Wanders wijst erop dat vergelijkbare droge situaties zich de afgelopen jaren vaker hebben voorgedaan, onder meer in 2018 en 2022. Vergeleken met de eerdere inschatting dat zulke situaties ongeveer eens in de zestig jaar voorkwamen, ziet hij daarin klimaatverandering aan het werk.
Voor laag Nederland is rivieraanvoer onmisbaar: het helpt het IJsselmeer op peil te houden en voorkomt dat zout water vanuit zee verder landinwaarts dringt. Deze zomer maakte zichtbaar hoe kwetsbaar die afhankelijkheid is. Door aanhoudende droogte en lage rivierafvoeren stelden waterschappen op verschillende plaatsen onttrekkingsverboden in. Voor het hoger gelegen deel weegt het neerslagtekort juist zwaarder. De oorzaak ligt bovendien niet alleen binnen de Nederlandse grenzen: ook in Duitsland en Zwitserland zijn de stroomgebieden droog en staan grondwaterbuffers laag. Daardoor blijft de aanvoer via de grote rivieren beperkt, ook als het in Nederland zelf zou gaan regenen.
Een regenbui betekent daarom niet dat de droogte direct voorbij is. Regen vult lokaal sloten en bodem tijdelijk aan, maar het herstel van de grondwatervoorraad en de basisafvoer van de rivieren vraagt doorgaans meer tijd. Dat herstel kan volgens Wanders weken tot maanden duren, omdat ook de bovenstroomse gebieden opnieuw water moeten vasthouden. De grootste onzekerheid voor de ontwikkeling in de weken na intense droogte zit in de vraag wanneer en hoeveel het gaat regenen, en of dat voldoende is om het hele uitgedroogde stroomgebied van de Rijn weer aan te vullen.
Beter voorbereid op waterschaarste door DPZW
Sinds de droge jaren van 2018 en 2022 zijn waterbeheerders beter voorbereid op perioden van schaarste. Zij zetten stuwen eerder omhoog, houden water langer vast en bufferen meer voorafgaand aan de zomer. Op perceelniveau bij boeren en ondernemers is er in de tussentijd ook geïnvesteerd in water vasthouden en waar mogelijk buffering. Daardoor zijn er in Nederland meer watervoorraden beschikbaar en kan Nederland droge perioden beter en langer opvangen.
Wanneer het tekort toch oploopt, biedt de verdringingsreeks houvast voor de vraag welk watergebruik voorrang krijgt. Dit instrument is nu al ingezet om onomkeerbare schade aan de natuur en de stabiliteit van keringen te voorkomen. Wanders wijst ook op de glastuinbouw: in delen van het land is wateronttrekking door tuinders beperkt om de veiligheid van dijken te beschermen. Zulke keuzes kunnen voor ondernemers grote gevolgen hebben, maar laten zien dat water tijdens langdurige droogte niet onbeperkt beschikbaar is.
‘Maatregelen binnen het DPZW richten zich structureel op het vergroten van de weerbaarheid tegen zoetwatertekorten' - Niko Wanders
Juist daarom richten maatregelen binnen het DPZW zich op het structureel vergroten van de weerbaarheid tegen zoetwatertekorten, zowel op gebieds- als bedrijfsniveau. Voor de landbouw gebeurt dat onder meer doordat waterschappen peilen verhogen en water langer vasthouden in regionale systemen. Op bedrijfsniveau ligt de nadruk op de transitie naar bodemverbetering, slimmere beregening en andere teelten. Op de hoge zandgronden – vooral waar geen wateraanvoer mogelijk is – ligt de nadruk sterk op bodemverbetering. Alberts noemt, naast regelbare drainage of druppelirrigatie, een aantal voorbeelden van maatregelen die vanuit het Deltafonds worden gestimuleerd: het verhogen van het organisch stofgehalte door middel van het aanbrengen van compost of klei, en het toepassen van grondbewerking zonder ploegen en kruidenmengsels. Via onder andere het project ZON en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) worden subsidies gecombineerd met een adviestraject en de inzet van gebiedsmakelaars.
Verschillende gevolgen én oplossingen per type grond en regio
De gevolgen van droogte verschillen in de landbouw sterk per regio, bodemtype en gewas. In haar belronde sprak Alberts eind juli met ondernemers in Drenthe, Overijssel en Gelderland: de situatie was toen nog beheersbaar, maar de eerste gevolgen waren al zichtbaar. De prognose voor de gebieden zonder wateraanvoer is somberder, zo blijkt uit navraag van een collega van Alberts. Waar Oost-Nederland aan het begin van de zomer nog voldoende regen kreeg voor een redelijke buffer, zal ook bij hen schade onafwendbaar zijn bij uitblijvende regen. Agrarische ondernemers krijgen zo met een dubbel effect te maken: lagere opbrengsten én hogere kosten voor beregening, brandstof en arbeid.
‘Ondernemers staan open, maar een transitie kost tijd om te leren en aan te passen' - Anouk Alberts
Waar beregening mogelijk is, worden gewassen in leven gehouden en kan een deel van het opbrengstverlies worden beperkt. Maar niet elk perceel beschikt over voldoende beregeningsmogelijkheden. Ook timing is bepalend: beregenen helpt vooral zolang een gewas nog in een groeifase zit waarin extra water verschil maakt. Is dat moment voorbij, dan komt water geven te laat om opbrengstverlies te beperken. Volgens Alberts is er dan ook geen standaardrecept: wat op kleigrond werkt, werkt niet automatisch op zandgrond, en wat haalbaar is voor een kapitaalintensief bedrijf, hoeft dat niet te zijn voor een melkveehouder of akkerbouwer. Volgens Wanders is de maakbaarheid van het watersysteem eindig en vraagt droogte om een integrale afweging van technische, ruimtelijke, sociaaleconomische en beleidsmatige keuzes. In gebieden zonder wateraanvoer ligt de nadruk daarbij op het zo goed mogelijk vasthouden van regenwater.
Samenwerken aan de volgende droge zomer
Wanders en Alberts benadrukken beiden dat maatregelen op gebiedsniveau nodig zijn. Gezamenlijke waterberging, infiltratie en opslag kunnen doelmatiger zijn (waar mogelijk) dan veel losse maatregelen per perceel: een gezamenlijke voorziening kan minder waterverlies opleveren en de kosten per deelnemer beperken. Ook regenwateropvang en ondergrondse opslag van zoetwater bieden perspectief. Alberts noemt pilots waarin zoetwater in de bodem wordt geïnfiltreerd. Zulke oplossingen vragen wel aandacht voor waterkwaliteit, vergunningen en ruimtelijke inpassing, en zijn niet overal toepasbaar. Daarom is het verstandig om eerst ervaring op te doen via pilots, voordat maatregelen breder worden uitgerold.
Voor de komende jaren ziet Wanders een belangrijke rol voor de kenniswereld onder meer via het Expertise Netwerk Zoetwater en Droogte. Het netwerk brengt kennis uit onder meer hydrologie, ecologie, economie en beleid bij elkaar, en kan zo bijdragen aan het verbinden van kennisvragen uit de praktijk aan beleidskeuzes vanuit een interdisciplinaire blik. Dat wordt belangrijker nu droogte steeds sterker samenhangt met andere ruimtelijke én maatschappelijke opgaven.