De effecten van zeespiegelstijging op de zoutindringing in de Rijn-Maasmonding zijn onderzocht door het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.

Nederland is in veel opzichten gevormd door de nabijheid van de zee. De zee en de rivierdelta staan met elkaar in verbinding. Het getij klotst heen en weer in de open Rijn-Maas Monding.
Dat beïnvloedt de rivierwaterstanden tot halverwege Nederland. De zee is zout en de rivieren zijn zoet. Omdat het zeewater zwaarder is, kruipt het onder het zoete water stroomopwaarts: dit noemen we verzilting.
Bij lage rivierafvoeren is de Haringvlietkering dicht. Het rivierwater stroomt in dat geval via de Nieuwe Waterweg naar buiten. Door menging met het zeewater zien we dat de rivier dichter bij zee gemiddeld zouter wordt.
Modelresultaten laten zien hoe de overgang tussen het zoute en zoete water heen en weer beweegt met het getij. Dit zoute water stroomt minder ver Nederland binnen dan dat het getij invloed heeft op de waterstanden.
Hoe sterker de rivierafvoer, hoe minder ver het zout naar binnen dringt.
Bij de huidige zeespiegelstand en een rivierafvoer van 1000 m3/s reikt het zout nog net niet tot aan de monding van de Lek, de Hollandsche IJssel en de monding van het Spui.
We weten dat de zeespiegel gaat stijgen. Dat versterkt de zoutindringing in de rivierdelta. Bij een halve meter zeespiegelstijging bereikt het zout de monding van de Hollandsche IJssel. Dit betekent dat de waterschappen hier minder water kunnen onttrekken, anders trekken ze het zout verder naar binnen.
Om dit te voorkomen wordt meer water vanuit het oosten bij Gouda over de Hollandsche IJssel aangevoerd. Naast de verzilting van onze rivieren zorgt de zeespiegelstijging ook voor een toename van verzilting van ons grondwater. Vooral in de kustprovincies wordt het slootwater en polderwater hierdoor zouter. Dit zout spoelen we weg met behulp van zoet water uit de grote rivieren.
De zeespiegel gaat verder stijgen. Dit gaat nog meer effect hebben op de rivierdelta en het grondwater. Bij 1 meter zeespiegelstijging bereikt het zout ook de monding van de Lek. Net als bij de Hollandsche IJssel betekent dit dat het
beheer moet worden aangepast, er moet extra water aan de oostzijde via stuw Hagestein
worden aangevoerd.
Bij nog verdere zeespiegelstijging trekt het zout het Spui op. Dat vormt een bedreiging voor de zoetwater-inname voor het Brielse Meer. Het extra water bij Gouda en Hagestein om de Hollandsche IJssel en Lek zoet te houden is niet meer toereikend.
Het zout trekt ook verder zuidwaarts richting Dordrecht. De afvoer van de rivier heeft ook invloed op verzilting. Meer zelfs nog dan der zeespiegelstijging. Hoe lager de rivierafvoer hoe verder het zout naar binnen trekt.
Door het veranderende klimaat komt er minder water Nederland binnen via de grote rivieren. Daarvan tappen we vanwege toenemende droogte steeds meer af voor andere delen van Nederland. En ook het zoetspoelen van de polders vraagt steeds meer water. Hierdoor trekt het zout overal nog verder op.
Bij extreme daling van de rivierafvoer trekt het zout vanaf het Spui en de Dordtsche Kil het Haringvliet en Hollandsche Diep op.Als zout eenmaal hier terecht komt, in dit brede en diepe deel van het systeem, blijft het langer hangen dan in de andere riviertakken. Vanuit hier kan het zout onder andere de inlaat van zoetwater naar het Volkerak Zoommeer langdurig bedreigen.
Zeespiegelstijging zorgt niet alleen voor de toename van verzilting van het grondwater in de Rijn-Maas Monding, maar ook in de andere kustprovincies van Nederland.
Als we al die verzilting zouden willen wegspoelen hebben we niet genoeg water in Nederland.