Overheden, ondernemers en ook inwoners moeten harder aan de slag om ons land weerbaarder te maken voor extreme weersomstandigheden waarmee we in het veranderende klimaat steeds vaker te maken krijgen. De droogte van afgelopen zomer met zoetwatertekorten en oprukkende verzilting heeft opnieuw aangetoond hoe kwetsbaar we zijn. We zijn wereldvermaard om ons waterbeheer, maar we gaan het daarmee in de toekomst niet redden. We moeten de manier waarop we hier leven aanpassen en ons land anders gaan inrichten en gebruiken. Dit gaat mensen in hun bestaan raken.

Deltacommissaris Co Verdaas heeft vandaag aan het kabinet aangegeven dat we een flinke tand bij moet zetten om maatschappelijke schade in het veranderende klimaat met extreme droge en natte periodes zo veel mogelijk te beperken. De deltacommissaris deed dat bij de overhandiging van de resultaten van het onderzoek naar de houdbaarheid van de Nederlandse wateraanpak aan minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat).

De conclusie is helder: doorgaan op de huidige koers is geen optie. Om Nederland veilig, leefbaar en economisch sterk te houden, is op meerdere onderdelen een andere aanpak en mentaliteit nodig. Dat betekent niet alleen dat we de rivieren meer ruimte moeten geven en water beter moeten gaan vasthouden. Ook moeten we accepteren dat gebieden verzilten en dat we op sommige plekken anders moeten gaan boeren.

In sommige periodes zal er te veel water op het land blijven staan en in andere periodes zal er te weinig water beschikbaar zijn. Ook moeten mensen in hun eigen leefomgeving meer rekening gaan houden met hevige natte periodes met fikse regenbuien die voor natte voeten en volgelopen kelders kunnen zorgen. Het betekent ook wat voor de natuur. Planten en diersoorten verplaatsen zich of verdwijnen in ons land omdat klimaatzones verschuiven. Het is van belang het natuurbeleid daar op af te stemmen.

Deltacommissaris Co Verdaas: 'We zijn wereldwijd vermaard om ons waterbeheer en met recht trots hoe we het water in ons land met onze sluizen, pompen, gemalen en stuwen kunnen sturen. Maar de extremen van deze zomer hebben ons opnieuw met de neus op de feiten gedrukt. We gaan het met techniek alleen niet redden. We moeten de koers bijstellen en de manier waarop we in onze delta leven gaan aanpassen. We zijn niet klaar voor de toekomst: we moeten echt aan de bak.'

Herijking

Elke zes jaar wordt bekeken of de koers van het Nationaal Deltaprogramma voor de lange termijn voor waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid en een klimaatbestendige inrichting van ons land moet worden aangepast (‘herijkt’). Dat gebeurt op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen. Sinds de start van het Nationaal Deltaprogramma in 2010 zijn de uitdagingen urgenter en complexer geworden. De verandering van het klimaat gaat sneller dan eerder voorzien en de gevolgen zijn heviger dan eerder voor mogelijk werd gehouden. Tegelijkertijd is er een strijd om de beperkte ruimte in Nederland, gezien de vele maatschappelijke opgaven in ons land.

Uit de tweede herijking van het Nationaal Deltaprogramma komt naar voren dat veel meer maatregelen nodig zijn om ons te wapenen tegen de stijgende zeespiegel en hogere rivierafvoeren. Stevige investeringen zijn daarbij onvermijdelijk. Zo zijn er miljarden euro’s extra nodig voor nieuwe grote pompen bij IJmuiden en op termijn op de Afsluitdijk om overtollig water naar zee af te kunnen voeren.

Aangezien het klimaat sneller verandert dan eerder was voorzien, moet nu al gestart worden met de voorbereidingen voor de nieuwe ‘Deltawerken’ die onder meer de huidige Maeslantkering moeten gaan vervangen. Zo moet toegewerkt worden naar een besluit over de mogelijke ingreep in de Rijn-Maasmonding die verstrekkende gevolgen heeft voor onder meer de toekomstige ontwikkeling van de haven van Rotterdam. De open verbinding tussen de rivieren en de zee kan bedreigend worden voor de veiligheid als de rivierafvoeren toenemen en de zeespiegel stijgt. Ook is een open verbinding bij lage rivierafvoeren kwetsbaar voor verzilting vanuit zee. Nader onderzoek is nodig naar de manier waarop de verzilting via de nieuwe Waterweg het beste kan worden bestreden. 

Voor een goede bescherming tegen de stijgende zeespiegel is het ook belangrijk dat er ervaring wordt opgedaan met inzet van de natuurlijke dynamiek in de kustgebieden. Door zand en slib op te vangen bij de overgang van zee naar land kan langs de kust en in de zeearmen een ‘stootkussen’ ontstaan. Om overstromingen vanuit de rivieren te voorkomen is het nodig ze bij knelpunten te verbreden. Daarvoor moeten er al op korte termijn langs de rivieren gebieden worden gereserveerd.

Beeld: © Rijkswaterstaat / Rinze Fokkema

Droogte bij de Waal in Nijmegen

Droogte

Nederland heeft na de droge jaren 2018 en 2022 dit jaar opnieuw te maken gehad met uitzonderlijke droogte, zoetwatertekorten en perioden met extreem lage rivierafvoeren. Dit gaat vaker voorkomen en kan in het klimaat van de toekomst in ons land het nieuwe normaal worden. De weersextremen komen daar dan nog bovenop.

Voor de periode 2021-2027 hebben de waterschappen, het Rijk en andere overheden 800 miljoen euro uitgetrokken voor technische en ruimtelijke maatregelen om de aanvoer van zoetwater in droge periodes te verbeteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het laten meanderen van beken en de aanleg van waterbuffers. De afgelopen zomer zijn dergelijke maatregelen in de verschillende gebieden met succes ingezet. Zonder deze ingrepen waren de problemen in de droge zomer van ’26 aanzienlijk groter geweest.

In de herijking van de huidige aanpak komt naar voren dat er ook daarna nog flinke investeringen nodig zijn voor de beschikbaarheid van zoetwater en het afremmen van verzilting. Er stroomt in droge tijden steeds minder water naar het IJsselmeer, terwijl de helft van het land afhankelijk is van het zoete water uit dit reservoir in perioden als er geen neerslag valt.

De deltacommissaris adviseert het peil in IJsselmeer stapsgewijs aan te passen, zodat het grootste zoetwaterreservoir van Nederland meer water kan leveren. Aanpassen van het peil heeft gevolgen voor de omgeving van het IJsselmeer. Zo zullen de waterschappen de inlaten moeten aanpassen en zijn er ook aanpassingen nodig voor de jachthavens zodat de boten ook bij laag water de steigers kunnen bereiken. Er kan ook te niet veel water in het IJsselmeer omdat dan de waterveiligheid in steden als Zwolle in het geding kan komen. 

Ook moet de afvoerverdeling over de rivieren bij lage waterstanden worden aangepast zodat beter kan worden ingespeeld op de droogte die verschilt per gebied en seizoen. Een belangrijke stuurknop is daarbij de stuw bij Driel. Het stuwprogramma van de zogeheten kraan van Nederland moet flexibeler worden zodat het water beter over de Rijntakken kan worden verdeeld en wordt ingezet waar dit het hardste nodig is. In Zeeland moet de functie van het Volkerak-Zoommeer als zoetwaterbuffer en incidentele waterberging worden versterkt.

Uit de tweede herijking komt naar voren dat dit soort technische ingrepen niet voldoende zijn. De nieuwe koers zet in op een bredere aanpak waarbij een aanpassing van het landgebruik in de meeste kwetsbare gebieden onafwendbaar is. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de Bollenstreek, de hoge zandgronden, de Noord-Hollandse kust en gebieden in Friesland en Groningen.

Ook is duidelijk dat Nederland niet goed is voorbereid op wateroverlast. Wateroverlast is meer dan alleen water op straat. Hoosbuien en langdurige extreme regen kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting en enorme schade. Dit vraagt om aanvullende maatregelen.

Na de extreme neerslag in Limburg hebben de regio’s in Nederland de kwetsbaarheid bij een dergelijke bui in kaart gebracht. Daaruit blijkt dat er maatregelen nodig zijn voor de bescherming van belangrijke vitale infrastructuur en voorzieningen, zoals ziekenhuizen en elektriciteitspunten. Ook moeten er in de regio’s meer waterbergingen komen om overtollig water op te vangen, wordt er gekeken naar meer sponswerking en naar een andere normering voor wateroverlast.