Zoetwater is een van de drie thema’s in het Deltaprogramma. Het algemene beleid is vastgelegd in de Deltabeslissing Zoetwater en verankerd in het Nationaal Water Programma (NWP) en NOVI.

Hoofddoel voor zoetwater

Het hoofddoel voor waterbeschikbaarheid is dat Nederland in 2050 weerbaar is tegen zoetwatertekorten. Om dit te bereiken wordt enerzijds ingezet op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater en het verminderen van de watervraag, en anderzijds op het voorbereiden van gebruikers en gebieden op het omgaan met perioden van zoetwatertekorten.

Het hoofddoel bestaat uit vier lijnen: 

  • Waterbeheerders zorgen voor een gezond en evenwichtig grond- en oppervlaktewatersysteem. Zij streven naar een situatie waarin watervraag en wateraanbod langjarig duurzaam in balans zijn, met behoud van de grondwatervoorraad.
  • Gebruikers zetten zich in om water effectief en zuinig te gebruiken en zijn voorbereid om te kunnen omgaan met tekorten en verzilting. Zij zijn geïnformeerd over de te verwachten omstandigheden en hebben zich tijdig en flexibel voorbereid, bijvoorbeeld door te innoveren, de bedrijfsvoering aan te passen of activiteiten te verplaatsen.
  • Cruciale maatschappelijke gebruiksfuncties worden zo lang mogelijk beschermd, zo wordt (onomkeerbare) schade voorkomen. In perioden van schaarste wordt het beschikbare zoetwater zo goed mogelijk verdeeld langs de lijnen van de wettelijk vastgestelde Nationale Verdringingsreeks Hoofdwatersysteem.
  • De waterkennis en innovatiekracht in Nederland zijn zodanig ontwikkeld dat alle gebruikers en gebieden weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Deltaprogramma Zoetwater blijft continu investeren in de ontwikkeling van waterkennis en innovatie. De uitkomsten hiervan worden tijdens landelijke en regionale bijeenkomsten gedeeld.

Nationale zoetwaterstrategie

Aangezien alle deltascenario’s laten zien dat het aanbod van zoetwater in de zomer afneemt en de vraag naar zoetwater in alle gevallen groeit, en uit studies blijkt dat de huidige strategie onvoldoende effect sorteert, is een herijking noodzakelijk. De KZH-studies Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwatersysteem (KZH). laten daarnaast zien dat maatregelen in het Hoofdwatersysteem weliswaar een belangrijke bijdrage kunnen leveren, maar dat zij de problemen niet overal en altijd oplossen.

Hieronder wordt de voorkeursstrategie toegelicht die voor de komende planperiode (2028-2032) wordt voorgesteld.

Transparantie en inzicht in de kans op watertekorten en de omvang daarvan

Het is nodig dat het Rijk en de regio’s inzicht bieden in de verwachte kans op en mogelijke omvang van watertekorten, zowel nu als in 2050. Dit geldt ook voor het Hoofdwatersysteem.

Alle regio’s treffen maatregelen in de ruimtelijke inrichting om weerbaar te zijn tegen watertekorten en passen zich ook hierop aan

Voor het regionale systeem ligt de focus op het aanpassen van de ruimtelijke inrichting (grond- en landgebruik) en het beperken van de watervraag. Uitgangspunt voor alle gebieden is het afstemmen van de watervraag op de waterbeschikbaarheid. Dit gebeurt door bij het toekennen van watervragende functies aan gebieden zowel rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in die gebieden als het stimuleren van zuinig watergebruik door deze functies. Het is de inzet om tekorten volgens de volgende voorkeursvolgorde te beperken met maatregelen:

  • Het beter vasthouden van water om de beschikbaarheid te vergroten.
  • Het flexibel en adaptief verdelen van water over de watervragende functies in een gebied.
  • Voorbereiden op watertekorten en (rest)schade accepteren.

Strategie voor het Hoofdwatersysteem

Het Deltaprogramma Zoetwater zet in op een flexibele en adaptieve strategie om het water daar te krijgen waar het op dat moment het hardst nodig is (solidariteit). Zo kunnen we, in lijn met de Strategie Klimaatbestendige Zoetwatervoorziening Hoofdwatersysteem, de zoetwaterbuffers zoals het IJsselmeer (via de IJssel) en het Volkerak-Zoommeer vullen en de oprukkende verzilting beperken, als er voldoende water beschikbaar is. Als er minder water beschikbaar is, wordt er per situatie afgewogen hoe het water te verdeeld moet worden.

Voor het Hoofdwatersysteem wordt daarnaast ingezet op het volgende:

  • Het situationeel sturen van het rivierwater in de Rijntakken door het stuwprogramma van de stuw bij Driel flexibeler te maken.
  • Het verbeteren van de mogelijkheid om situationeel te sturen door structureel meer water naar het Pannerdensch Kanaal te sturen bij het splitsingspunt van de Rijn en de Waal. Dit verbetert ook de toevoer naar de IJssel en de Twentekanalen.
  • De zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied stapsgewijs vergroten. Dan kan deze flexibeler en effectiever worden ingezet om zoetwatertekorten te beperken, zonder ontoelaatbare gevolgen voor de omgeving. Deze stappen worden uitgewerkt in het Deltaprogramma IJsselmeergebied.
  • Voor de Rijn-Maasmonding gericht kennis opdoen en praktijkproeven uitvoeren om de beste maatregelen te bepalen tegen de kwetsbaarheid voor verzilting.
  • Het waterbufferend vermogen van de Maas verbeteren door de inrichting en infrastructuur op en langs de rivier te optimaliseren. Daarnaast ook de aanvoer uit zijrivieren van de Maas zoveel mogelijk bovenstrooms vasthouden en infiltreren, in combinatie met maatregelen voor wateroverlast. 
  • Lage afvoeren tegengaan door voortzetting van de internationale aanpak en afstemming, gericht op water vasthouden, zuinig en duurzaam watergebruik en adaptatie in het hele stroomgebied.